Hierdoor kwam het kabinet Cals in 1966 ten val
In 1965 werd Nederland getroffen door een politieke crisis die het einde van het kabinet Cals inluidde. Het was een tumultueuze tijd waarin verschillende factoren hebben bijgedragen aan het uiteenvallen van dit kabinet, dat onder leiding stond van premier Jo Cals.
Een belangrijke oorzaak van de val van het kabinet Cals was het economisch beleid. Het kabinet had geprobeerd om de economische groei af te remmen door middel van een loonpauze. Echter, deze maatregel werd niet goed ontvangen door de vakbeweging, die zich verzette tegen deze inperking van de lonen. Dit zorgde voor grote onrust en stakingen in het land, waarbij de publieke opinie sterk tegen het kabinet werd gekeerd.
Een andere belangrijke factor was de kwestie-Nieuw-Guinea. De kabinetsleden waren verdeeld over hoe om te gaan met de strijd om de onafhankelijkheid van dit overzeese gebiedsdeel. Sommige ministers waren voorstander van diplomatieke oplossingen, terwijl anderen vasthielden aan een harde lijn. Deze verdeeldheid binnen de regering zorgde voor interne spanningen en onenigheid die uiteindelijk leidden tot het uiteenvallen van het kabinet.
Bovendien kwam er ook nog een schandaal aan het licht dat het kabinet verder verzwakte. In 1966 werd bekend dat prins Bernhard, de echtgenoot van koningin Juliana, smeergeld had aangenomen van vliegtuigfabrikant Lockheed. Dit zorgde voor grote verontwaardiging onder de bevolking en in de politiek. Premier Cals werd beschuldigd van het achterhouden van informatie over deze zaak en dit tastte zijn geloofwaardigheid sterk aan.
De combinatie van deze factoren leidde tot het ontslag van het kabinet Cals op 14 oktober 1966. Het verdwijnen van dit kabinet betekende het einde van een periode van politieke en sociale hervormingen in Nederland, bekend als de “Provo-beweging”. Het kabinet werd opgevolgd door het kabinet-Zijlstra, dat een minder progressief beleid voerde.
In retrospectie kan worden geconcludeerd dat de val van het kabinet Cals werd veroorzaakt door een combinatie van economische onrust, interne verdeeldheid over Nieuw-Guinea en het Lockheed-schandaal. Deze gebeurtenissen illustreerden de fragiliteit van de Nederlandse politiek en de impact die externe en interne factoren kunnen hebben op de stabiliteit van een regering.